“Wat is toch dat geheim van de vrijmetselarij?” Een overbekende vraag van belangstellenden, en vaak ook van logeleden die nog niet zo lang meelopen. Twee ervaren Haagse vrijmetselaren proberen er antwoord op te geven in het onlangs verschenen boekje ‘Het geheim ontsluierd – 75+1 vragen en antwoorden over de vrijmetselarij’.
Tamelijk origineel stellen de auteurs Krijn en Bloemendal dat Hiram Abiff, de Bijbelsebouwmeester van koning Salomo, 1723 was gewijd aan de mythische geschiedenis van de bouwkunst. Anderson had die tekst overgenomen uit het Cooke manuscript uit ca. 1450, waarin Noach werd genoemd als ‘de eerste bouwer’. Anderson dikte dat verhaal nog wat verder aan en stelde al op de eerste bladzijde van zijn Constituties: “God schreef vrijmetselarij op het hart van Adam, de eerste mens.” De mythische eerste vrijmetselaar was dus Adam. Het boekje van Krijn en Bloemendal is goed bruikbaar als ‘gespreksstarter’. Juist omdat de antwoorden vaak kort en bondig zijn, is er ruimte voor nog wat toelichting en nuance ring. Zo werden gilden in de middeleeuwen géén loge genoemd; een ‘lodge’ was een schuur of bouwkeet waar de bouwvakkers hun spullen opborgen en waar zij wellicht schuilden als het regende. Nog zoiets: het Franse ‘Franc-Maçon nerie’ is geen goede vertaling van ‘Free Mason ry’ (toen nog niet aan elkaar geschreven). Het Engelse mason is een verzamelnaam voor alle bouwvakkers inclusief metselaars. Het Franse maçon betekent alleen metselaar. In de vroegste Franse vermeldingen werd frimasson en frey masson geschreven, wat in 1734 in een Nederlandse krant werd vertaald als ‘vrije metselaer’.
Moraliteit is een wezenlijk aspect is van vrijmetselarij. In de inwijdingsceremonie wordt immers gevraagd: “Met welk oogmerk komt u in de loge?” Met als antwoord: ‘Om (een) beter mens te worden”. In het Engels is dat: ”To make good men better”; in de Nederlandse vertaling zit net een extra calvinistisch accentje. De auteurs merken terecht op dat het er niet om gaat beter te worden dan een ander, maar om jezelf te verbeteren. In oude rituaalteksten heette dat het onder controle krijgen van de eigen kwalijke impulsen en lage lusten. Op de vraag: “Hebben vrijmetselaren een bijzondere ethiek?” wordt verwezen naar de Constituties van Anderson: “… met daarin duide lijke regels over morele eisen aan de leefstijl, een codificatie van algemeen goed fatsoen. Vrijmetselarij onderscheidt zich door het ontbreken van een vastomlijnd ethisch kader. Er is geen geloofsleer en geen vrijmetselaarsbijbel met tien vrijmetselaarsgeboden.” Dan gaat de tekst verder: “Het zijn daarmee gedragsregels die niets anders eisen dan maatschappelijk aangepast gedrag. Een hogere of diepere moraal is er niet in te vinden. Het zijn regels die eerder te beschouwen zijn als etiquet te.” Huh? De ethiek van vrijmetselaren afdoen als ‘algemeen goed fatsoen’ vind ik wel heel minimalistisch. Vrijmetselarij is een ‘ethische leer school’, met in elke graad specifieke ethische boodschappen. De eerste graad gaat over het beter leren kennen van jezelf, de tweede graad over hoe je je als vrijmetselaar verhoudt tot de ander, en de derde graad over het goed benutten van je korte tijd op aarde. Maçonnieke slogans als ‘Op u komt het aan’, ‘Ken uzelve’, en ‘Zoeken naar wat ons verbindt’, zijn ethische normen die verder gaan dan de burgerlijke etiquette.
In het boekje ontbreekt een vraag over geometrie in de vrijmetselarij. Bij Anderson is geometrie vrijwel synoniem met de nobele bouwkunst, waaruit later de speculatieve vrij metselarij zou zijn voortgekomen. Ook het god delijk bouwplan voor de wereld zou door geom etrische wetmatigheden zijn bepaald. Denk aan de stelling van Pythagoras, waarmee je van elke driehoek met een rechte hoek de overliggende lange zijde kunt uitrekenen. Geometrie was voor veel mensen in 1723 een soort magie. Spinoza, wiens ‘Deus sive Natura’ veel vrijmetselaars aanspreekt, bouwde zijn Ethica op vol gens de ‘geometrische methode’. Hij gebruikte aannames, randvoorwaarden en logische argumenten om conclusies af te leiden, zoals met de stelling van Pythagoras. Deze wetenschappelijke manier van argumenteren was nieuw en revolutionair in de begintijd van de vrijmetselarij. De Koninklijke Kunst wordt in het boek neer gezet als een zeer serieuze bezigheid. Dat realiseerden de auteurs zich halverwege kennelijk ook, want ineens is er de vraag: “Is de vrijmetselarij een saaie vereniging?” Het antwoord luidt deels bevestigend, hoewel er “na afloop aan de bar ruimte is voor een lach”.
De auteurs gaan ook uitgebreid in op broederschap. Ooit konden alleen man nen vrijmetselaar worden, maar bijna honderdvijftig jaar geleden, in 1882, werd Marie Deraismes in het Belgische Pecq ingewijd als eerste vrouwelijke vrijmetselaar. In 1893 richtte zij samen met Georges Martin de gemengde vrijmetselaarsorde ‘Le Droit Humain’ op. Nog later werden er ook vrijmetselaarsordes voor alleen vrouwen opgericht. Vrijmetselaren spreken elkaar ook aan met ‘broeder’ of ‘zuster’, en dat is geen loze aan spreekvorm. Een broeder hoeft geen vriend te zijn; een broeder krijg je en een vriend zoek je uit. Mooi gezegd! Krijn beschouw ik als mijn vriend, Bloemendal erken ik als broeder. Maar wat er niet bij wordt gezegd, is dat vrijmetselaren ook maar gewone mensen zijn. Een loge is niet heel anders dan een biljartclub, waar de ballen elkaar op rituele wijze moeten raken. Van tijd tot tijd ontstaan er spanningen, en dan is broederschap soms ver te zoeken. Het leukste antwoord in het boekje gaat over de vraag: waarom hoor je in het dagelijks leven zelden iemand praten over vrijmetselarij? Dan volgt de parabel van de aardbei. Net zoals de aardbeienliefhebbers niet steeds met iedereen over aardbeien praten, zo houden vrijmetselaars hun passie ook voor zichzelf.
Maar er zijn in Nederland ook niet zoveel vrijmetselaren: alle soorten meegeteld iets meer dan vijfduizend (m/v). In België is dat anders: zes miljoen minder inwoners dan Nederland maar wel dertigduizend maçons…



