|
Pagina 1 van 6 THOTH 2011 nr. 3 Eenheid voor de Europese vrijmetselarij Illusie of perspectief? Louis van Koert

Op de 31ste studiebijeenkomst van de Duitse Quator Coronati Loge nr. 808 in april 2007 was een der behandelde thema’s in de werkgroep Geschiedenis en Sociale Wetenschappen de in 2017 te verwachten positie van de vrijmetselarij in de Europese maatschappij. Wereldwijd zou het aantal vrijmetselaren tot circa vier miljoen afgenomen zijn. Ook in Europa kampen de loges met ledenverlies. Uitzonderingen zijn Noorwegen, Oostenrijk en Frankrijk, waar naast de G.L.N.F. negen adogmatische grootmachten onder de titel Maçonnerie Française hun krachten bundelden.Ook in Duitsland is sprake van ledenverlies, behalv
Van de ter zake gehouden voordrachten viel die van Joachim Woerner op door zijn mening dat de vrijmetselarij sinds 1719 een ongerijmde ontwikkeling doormaakte, en dat die aangepakt zou kunnen worden om in 2017 naar de buitenwereld toe een minder verdeelde broederketen te tonen. Broeder Woerner is in 1956 in een tot de Grosse Landesloge (1) behorende loge ingewijd. Hij werkte en woonde als maçon gedurende vijftien jaar in drie verschillende werelddelen en reisde daarna nog meer dan tien jaar rond de globe. Zijn overwegingen en waarnemingen dienen naar mijn mening de Nederlandse en Belgische broeders, die eveneens met de toekomst bezig zijn, niet te worden onthouden; reden waarom deze vertaling het licht zag (2). De oorspronkelijke Duitse tekst valt na te lezen innummer 1 van 2007 van TAU, het tijdschrift van de onderzoeksloge Quator Coronati Bayreuth.
Eenheid is voor de Europese vrijmetselarij in feite een arbitrair begrip. Historisch gezien was de vrijmetselarij nimmer een eenheid, en ook na 1717 is dit nooit het geval geweest. De vier loges die toen besloten hun krachten te bundelen, hadden niet de opzet maçonnieke eenheid te scheppen. Hun doel was wel om gezamenlijk een gebouw te kopen waarin de broeders in alle vrijheid konden samenkomen.
De betrokken periode was een bloeitijd voor allerhande clubs, verenigingen, lees- en studiekringen. Daarvoor was geen andere vergaderruimte in London voorhanden dan de pub, tenzij men voldoende geld had om een eigen gebouw te kopen. Anders dan latere grootmeesters zich wensten was de stichting van de eerste grootloge dan ook geen ideële maar een geldkwestie. Dit verklaart ook waarom er geen documenten meer bestaan over de gebeurtenissen in 1717 en de officiële geschiedschrijving van de eerste grootloge eerst in 1723 begint. Pas in 1738 wordt door James Anderson de stelling verlaten dat de regelgeving uitsluitend gold voor London en Westminster. (3)
Ook de Oude Plichten of een van de versies van de Landmerken kunnen niet als wetgeving voor een maçonnieke eenheid worden opgevat. Het is daarom beter om in plaats van over eenheid over gemeenschappelijkheid te spreken. Wat al moeilijk genoeg lijkt voor het enige gemeenschappelijke dat vrijmetselaren wereldwijd delen, namelijk het voornemen om zich door middel van het basale driegradenstelsel moreel te verbeteren.
|