|
KEN UZELVE - KEN DE ANDER!
Studiedag Ritus en Tempelbouw op zaterdag 25 september
De Ander en ik - het gedachtegoed van Emmanuel Levinas en de vrijmetselaar
De studiedag 2010 van de maçonnieke stichting Ritus en Tempelbouw staat geheel in het teken van de ontmoeting met de ander. Vanuit de gedachten van de invloedrijke filosoof Emmanuel Levinas (Litouwen 12 januari 1906 - Parijs 25 december 1995) worden visies ontwikkeld op het mens-zijn in deze tijd. De deelnemers kunnen uit de eerste hand kennismaken met persoon en denken van Levinas. Roger Burggraeve, hoogleraar te Leuven, heeft gedurende vele jaren regelmatig gesprekken met Levinas gevoerd en geldt als grote kenner van diens filosofie. Hij is de officiële biograaf. Prof. Burggraeve is een begenadigd spreker. Hij zal daarbij het denken van Levinas zeker laten aansluiten bij ons leven als mens in onze samenleving, vanuit de vraag op welke ethiek menselijke beschaving berust.
De journaliste France Guwy heeft in 1985 voor de IKON-televisie een inmiddels klassiek geworden portret van Levinas gemaakt. Dit gesprek zal getoond worden, waardoor de ontmoeting met Levinas nog persoonlijker wordt. Mevrouw Guwy zal de film tijdens de studiedag zelf introduceren. Levinas zegt in dat interview onder meer: “Onder verantwoordelijkheid versta ik het er zijn voor de ander, je verantwoordelijk voelen voor de ander.
De laatste spreker is Ronald Commers, vrijmetselaar en hoogleraar filosofie te Gent. Hij is schrijver van het fascinerende boek ‘Tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld’, dat de filosofische aspecten van het denken van de vrijmetselaar behandelt. Hij zal verder ingaan op de betekenis van het gedachtegoed van Levinas, en in het bijzonder wat het voor de vrijmetselaar zou kunnen betekenen. Vanuit zijn brede kennis laat prof. Commers de deelnemers nieuwe invalshoeken zien, zoals de door Popper uitgewerkte gedachte: “De waarheid bestaat, maar geen van ons allen heeft ze en juist daarom zijn we er duizendvoudig op betrokken, en juist daarom moeten we ruimte maken voor de interpretaties, voor de zoekprocedures, voor de experimenten, en dat zonder fanatisme en opschepperij wanneer we zeker blijken te zijn.”
Deze maand op de Website een artikel van Roger Burggraeve. De komende maanden volgen nieuwe artikelen over Levinas.
De ander en onze verantwoordelijkheid.
Roger Burggraeve

(op de foto uit de jaren tachtig wordt Roger Burggraevej begroet door Levinas)
Biografische gegevens kunnen ons helpen om het denken van Levinas (1905-1995) over het gelaat van de ander en verantwoordelijkheid beter te situeren. Daarbij valt onmiddellijk de bipolariteit tussen Jeruzalem en Athene op. Zijn denken is zowel getekend door zijn joodse achtergrond als door zijn verankering in de westerse (Europese) cultuur.
Levinas werd geboren te Kaunas (Kovno), een provinciehoofdstad in Litouwen, op 30 december 1905, althans volgens de daar en toen in voege zijnde Juliaanse kalender (op 12 januari 1906 volgens de Gregoriaanse kalender). Vanaf zijn prilste jeugd werd hij door een privéleraar vertrouwd gemaakt met de Hebreeuwse Bijbel. Pas later, namelijk vanaf 1947, ging hij zich toeleggen op de studie van de Talmoed, daarin begeleid door Chouchani. Deze ‘onverbiddelijke meester’ introduceerde hem in een niet-vrome, kritisch doordenkende benadering van de teksten. Dit heeft Levinas ertoe gebracht om zijn oodse ‘pre-filosofische ervaringen’ te vertalen ‘in het Grieks’, dat wil zeggen om te zetten in de taal van de westerse filosofie. Dit om er de metafysische, antropologische en ethische dimensies van bloot te leggen en universeel mededeelbaar te maken.
De neerslag hiervan vinden we in zijn talrijke ‘lectures et discours talmudiques’, die hij vanaf 1957 jaarlijks hield op de Parijse bijeenkomsten van Franstalige joodse intellectuelen: ‘Quatre lectures talmudiques’ (1968), ‘Du sacré au saint’ (1977), ‘L’au-delà du verset’ (1982), ‘À l’heure des nations’ (1988), ‘Nouvelles lectures talmudiques’ (1996). Deze filosofische benadering van Bijbel en Talmoed openbaart tevens een grote affiniteit met de klemtoon van de Verlichting op rationaliteit, zoals onder meer blijkt uit zijn werk ‘Difficile Liberté. Essais sur le Judaïsme’ (1962).
Een andere belangrijke achtergrond voor een beter begrip van Levinas’ denken is de confrontatie met antisemitisme en racisme. Vanuit de verhalen in zijn kindertijd over de Russische pogroms of – door de tsaristische politie ‘gestuurde’ - volkse woede-uitbarstingen tegen de joden, kreeg hij voor het eerst te maken met het trauma van vervolgingservaring. De jodenuitroeiing door Hitler en de zijnen kerft deze vervolgingskwetsuur onuitwisbaar in hem vast als een ‘brandende wonde in de zijde: de uiterste beproeving van de totale passie’. Heel het denken van Levinas kunnen we dan ook interpreteren als één immense poging om de wortels van geweld en racisme bloot te leggen én als het intellectueel project om een ‘ander denken’ – een denken over het andere en de verantwoordelijkheid voor de ander – te ontwikkelen.
Daartoe wordt hij onwillekeurig reeds in zijn jeugd op het spoor gezet door de Russische literatuur. Dankzij het Russisch dat men bij hem thuis sprak, kon hij zich direct vertrouwd maken met de klassieke Russische auteurs, met name Poesjkin, Lermontov, Gogol, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoï (Levinas’ vader baatte een boekenwinkel uit). Vooral bij Dostojevski werd hij getroffen door het idee van een ‘oneindige verantwoordelijkheid’: “Allen zijn we verantwoordelijk voor alles en iedereen, en ik méér dan de anderen.” Dit radicale idee zal hem helpen om later – op het toppunt van zijn denken in ‘Autrement qu’être’ (1974) - op een eigen wijze de universele broederschap tussen mensen te begrijpen als een verbonden zijn met elkaar, voorafgaandelijk aan elke vrije keuze en contract én als grondslag voor gelijkheid en vrijheid.In 1923 emigreert Levinas als achttienjarige naar Straatsburg, waar hij na een jaar introductie in het Frans aan de universiteit filosofie begint te studeren onder leiding van professoren (Blondel, Halbwachs, Pradines, Carteron) die ten tijde van de zaak Dreyfus nog jong waren en die hem in de nasleep van deze affaire, waarbij de jood en Frans legeringenieur Alfred Dreyfus valselijk beschuldigd werd van hoogverraad, opnieuw confronteren zowel met het antisemitisme dat permanent op de loer ligt als met het heftig verzet tegen dit racisme (cf. ‘J’accuse’ van Émile Zola, 1898). Dit verzet opent voor hem “het verblindend visioen van een volk dat gelijk staat met de mensheid en van een natie waaraan men zich even sterk door geest en hart kan hechten als door afkomst.” Onder leiding van Jean Héring, die vanaf 1926 ‘maître de conférences’ was aan de protestantse faculteit in Straatsburg, begint Levinas in 1927 met het bestuderen van de fenomenologie. Geboeid door deze nieuwe ideeën trok hij in de zomer van 1928 voor een jaar naar Freiburg in Duitsland, om er zich onder leiding van Husserl, de meester zelf, in de fenomenologie te verdiepen. Dit mondde uit in zijn doctoraat: ‘La théorie de l’intuition dans la phénoménologie de Husserl’, dat bekroond werd door de Académie des Sciences Morales et Politiques van het Institut de France. Dit werk, dat in 1930, verscheen speelde een belangrijke rol in de introductie van de Husserliaanse fenomenologie in het Franse taalgebied, onder meer bij Jean-Paul Sartre.
Voor zijn eigen denken vond Levinas in Husserls fenomenologie vooral een methode, die hem aanzette om – voorbij wat op het eerste gezicht verschijnt, het ‘fenomeen’ – terug te keren naar wat vergeten of overgeslagen werd: ‘Zurück zu den Sachen selbst’. Concreet betekende dat voor Levinas een zoektocht, voorbij de fenomenologie van het zijn en het zijnsverstaan, naar datgene wat eraan voorafgaat en het ook ‘draagt’, namelijk het ‘anders dan zijn’, dat zich concretiseert in de ethische verhouding van verantwoordelijkheid door en voor de ander. Tijdens zijn verblijf in Freiburg komt Levinas ook in contact met Martin Heidegger, die Husserl opvolgde in 1929 maar die al in Freiburg doceerde vanaf het jaar 1928. Het zijn vooral de scherpzinnige fenomenologische analyses van ‘Sein und Zeit’ (1927) die Levinas aanspraken (en later bleven charmeren. Levinas nam echter niet alleen afstand van Heidegger toen hij in 1933, zij het voor korte tijd, zijn stem verleende aan het naziregime, maar ook op het vlak van het denken groeide zijn argwaan. De toenmalige fascinatie voor Heideggers zijnsfilosofie deelde hij niet, onder meer omdat ze – bij nader toezien – bepaalde affiniteiten vertoonde met het nazistisch ‘bloed-en-bodem’-denken. In deze kritische argwaan ging hij in het westers denken op zoek naar sporen van een zijnsoverschrijdend denken, waarvoor hij het algemeen kader vond bij Plato’s ‘idee van het Goede aan gene zijde van het zijn’ (‘epékeina tès ousia’ - deze uitdrukking vormt letterlijk het tweede deel van de titel van Levinas’ tweede hoofdwerk: ‘Autrement qu’être ou au-delà de l’essence’). Steeds duidelijker en radicaler ontdekt hij in de ethische verhouding tot de ander de beweging in de richting van het Goede.
Vanaf 1930 studeert Levinas verder filosofie aan de Sorbonne te Parijs, onder meer bij Léon Brunschvicg (1969-1944). In de jaren dertig neemt Levinas ook deel aan de zaterdagavondbijeenkomsten van avant-gardefilosofen, thuis bij Gabriël Marcel (1989-1973). Dit zet hem op het spoor van het dialogale denken, niet alleen van Marcel zelf maar ook van Franz Rosenzweig (1886-1929) en Martin Buber. Hij zal zichzelf steeds blijven beschouwen als iemand die het dialogale denken verderzet, zij het op een eigen wijze, namelijk door vooral de ethische en metafysische dimensie van het ‘tussenmenselijke’ (‘das Zwischenmenschliche’, Buber) te expliciteren. Daarbij laat hij zich tevens inspireren door Jean Wahl, de promotor van zijn ‘doctorat d’état’, dat in 1961 verschijnt onder de titel ‘Totalité et Infini. Essai sur l’extériorité. In dit eerste hoofdwerk werkt hij de beweging van de ‘trans-AScendentie’ uit. Vertrekkend van een fenomenologie van het ik als hetzelfde bij uitstek, radicaal gescheiden en losgemaakt uit elke totaliserende participatie, gaat hij op zoek naar het radicaal andere boven en buiten het zelf. Deze radicale alteriteit treft hij fenomenologisch aan in het gelaat van de ander, dat als zelfexpressie doorheen blik en woord tot het ik spreekt en ook ethisch appelleert tot verantwoordelijkheid. Dit impliceert een heteronome crisis van het autonome ik.
In 1962 wordt Levinas benoemd tot docent filosofie aan de faculteit Letteren te Poitiers. Deze belangrijke stap in zijn filosofische carrière belet niet dat hij doorgaat met zijn taak als directeur, die hij sedert 1945, na zijn krijgsgevangenschap van 1940 tot 1945 - eerst in een Frontstalag te Rennes (Bretagne) en daarna in Stalag IIB te Fallingbostel (Hannover) -, onmiddellijk bij de na-oorlogse heropening van de École Normale Israélite Orientale (ENIO) op zich had genomen. Deze opdracht en keuze viel niet uit de lucht, vermits Levinas, amper gepromoveerd tot doctor in de filosofie (1930), aan het werk ging bij de afdeling onderwijs van de Alliance Israélite Universelle, die sedert haar oprichting in 1860 te Parijs gevestigd was en waartoe de ENIO behoorde. Zijn educatieve taak als directeur van die middelbare school voor jonge joden uit Marokko en Tunesië heeft hij steeds als zeer wezenlijk beschouwd. Pas op zijn 75ste, na een ononderbroken periode van 33 jaar, legt hij zijn functie als directeur neer. Hij heeft het steeds zijn kerntaak geacht om de leerlingen zowel met de westerse cultuur (literatuur en filosofie) als met het joodse, in casu Talmoedische denken vertrouwd te maken. Het is precies in deze context dat zijn ‘Talmoedcommentaren’ als voorbereiding op de sabbat ontstaan zijn.
Terug naar zijn filosofische reisweg. In 1967 wordt Levinas, op aandringen van zijn vriend en filosoof Paul Ricoeur, naar Paris-Nanterre (Paris X) geroepen om er de geschiedenis van het filosofisch denken te onderwijzen en teksten te becommentariëren van grote denkers zoals Kant, Hegel, Husserl en Heidegger. Pas in 1973 promoveerde hij tot hoogleraar filosofie aan de Sorbonne te Parijs, waar hij doceerde tot aan zijn emeritaat in 1976 (merk wel hoe hij ondertussen nog tot in 1978 doorging met zijn schooldirecteurschap). Dankzij een eminente leerling, Jacques Rolland, beschikken we over de twee opgenomen en uitgegeven cursussen die Levinas tijdens zijn laatste reguliere academiejaar van 7 november 1975 tot en met 21 mei 1976 gaf aan de Sorbonne: ‘La mort et le temps’ (11-12 uur) en ‘Dieu et l’onto-théologie’ (12-13 uur). Beide bieden een goede toegang tot zijn tweede hoofdwerk, ‘Autrement qu’être ou au-delà de l’essence’ (1974). In dit werk, evenals in de bundels die eraan voorafgaan (‘Humanisme de l’autre homme’, 1968) en erop volgen (‘De Dieu qui vient à l’idée’, 1982, ‘Entre-nous. Essais sur le penser-à-l’autre’, 1991), werkt Levinas een tweede krachtlijn van Wahls metafysisch denken uit, namelijk de beweging van de ‘trans-DEScendentie’. Hij daalt immers af tot in de ‘diepte’ van het subject zelf om daar te graven naar de mogelijkheidsvoorwaarden van de heteronome verantwoordelijkheid door en voor de ander. Dit brengt hem tot een herdefiniëring van het subject, dat hij nu niet meer ziet als het ‘moderne’ zelf – vorm krijgend in het streven naar autonomie en identiteit (‘le même’) – maar als het ‘ontbonden en onttroonde zich’ (‘soi’), letterlijk als het ‘andere in hetzelfde’ (‘l’autre dans le même’).
Om door het gelaat van de ander geraakt te worden, moet men raakbaar zijn. Om opgevorderd en geappelleerd te worden door de vreemde ander, moet men opvorderbaar en appelleerbaar zijn. Om ‘aangedaan’ te worden door de kwetsbare ander, moet het ik zelf ‘aandoenbaar’ (affecteerbaar) en kwetsbaar zijn door het andere dan zichzelf. Vandaar dat Levinas er in zijn tweede beweging toe komt het menselijk subject te omschrijven als ‘anders dan zijn’, als ‘sensibiliteit’ door en voor het andere. Welnu, het is precies deze ‘conditie’ die de grondslag vormt voor de broederschap, waarin mensen zich in solidariteit met elkaar bevinden. Een solidariteit die hen tegelijk opvordert en inspireert om te worden wat ze zijn: elkaars hoeders.
De deelnemers aan de studiedag van Ritus en Tempelbouw van dit jaar kunnen dankzij Roger Burggraeve uit de eerste hand kennismaken met persoon en denken van Levinas. Hij is de officiële biograaf van Levinas, geldt internationaal als grote kenner van diens filosofie en is een begenadigd spreker.
Roger Burggraeve (Passendale, West-Vlaanderen, 1942) is hoogleraar ethiek aan de KU Leuven. Zijn doctoraat over Levinas in 1980 werd bekroond met de Arthur Janssenprijs. Sedert 2007 is hij ‘emeritus met opdracht’ en doceert hij vakken ethiek aan het nationaal en internationaal instituut ‘Lumen Vitae’ te Brussel. Hij geeft twee- of driejaarlijks gastcolleges over Levinas en ethiek in Congo (Kinshasa), India (Bangalore, Pune, Trichur), Kenia (Nairobi), en is medestichter en ere-voorzitter van het Centrum voor Vredesethiek aan de KU Leuven. Roger Burggraeve publiceerde talrijke artikelen en boeken over het ethisch en metafysisch denken van Emmanuel Levinas, die hij ook persoonlijk goed kende en vaak heeft ontmoet. Zie onder meer ‘Emmanuel Levinas et la socialité de l'argent’ (1997; vertaald in het Japans: 2003); ‘The Wisdom of Love in the Service of Love. Emmanuel Levinas on Justice, Peace, and Human Rights’ (2002); ‘The Awakening to the Other. A Provocative Dialogue with Emmanuel Levinas’ (2008); ‘Proximity with the Other. A Multidimensional Ethic of Responsibility in Levinas’ (2009). Zie ook het interview door France Guwy ‘Als ik de ander erken, ken ik de ander’, in: F. Guwy, ‘De ander in ons. Emmanuel Levinas in gesprek: een inleiding in zijn denken’, Amsterdam, SUN, 2008, pp. 78-129.
”KENT U DE ANDER? Aanmelden De landelijk studiedag wordt gehouden op zaterdag 25 september 2010 in ‘De Rode Hoed’ te Amsterdam. U bent welkom vanaf 9.30 uur voor het gebruik van koffie of thee. De bijeenkomst begint om 10.30 uur en eindigt om ongeveer 16.30 uur. De kosten zijn voor deelnemers van Ritus en Tempelbouw en hun partners € 45 per persoon, inclusief lunch. Niet-deelnemers betalen € 50 per persoon, inclusief lunch. U kunt zich tot uiterlijk 1 september aanmelden bij het secretariaat via
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien.
of via Secretariaat Ritus en Tempelbouw, Atjehstraat 3, 7101 BV Winterswijk. |